9 taalfouten die zelfs slimme mensen vaak maken

Weet jij bijvoorbeeld het verschil tussen bloot en naakt?

Meest gelezen

Ben je een echte taalnazi? Vraag jezelf dan eerst af of je wel een leuk persoon bent. En ga dan óók na of je recht van spreken hebt. Taalfouten beperken zich namelijk niet tot de simpele vormen die het vaakst ten grondslag liggen aan de discussies (bijvoorbeeld 'me' of 'm'n') , maar komen ook in intelligente kringen voor.

Dit zijn de taalfouten die ook slimme mensen maken

1. Te danken aan / te wijten aan

Mensen bedoelen te wijten aan, maar gebruiken dan te danken aan. Dus: je dankt je goede cijfer aan je goede voorbereiding op het tentamen, maar je slechte cijfer is te wijten aan je slechte voorbereiding.

Advertisement - Continue Reading Below

2. Grif / grof

Iets gaat 'grif van de hand', en daar kan 'grof geld' mee gemoeid zijn. Maar dat zijn twee heel verschillende dingen. Grif betekent snel, vlug, glad. De partij werd grif verkocht. Grof betekent heel veel. Voor die partij is grof geld betaald.

3. Bloot / naakt

Bij bloot ligt het accent op de afwezigheid van bedekking, bij naakt ligt het accent op iets dat bedekt kan worden. Bij bloot is er dus iets afgegaan en bij naakt zit er niets op of omheen. Het is dus 'op blote voeten' en je 'legt iets bloot', maar niet een 'blootstrand' of een 'blootschilderij'.

4. Mond-op-mondreclame / mond-tot-mondreclame

Een inkoppertje, maar waarmee de meesten vaak de fout ingaan. Want blijkbaar wordt door de fascinatie voor mond-op-mond (beademing), de combinatie mond-tot-mondreclame vaak verhaspeld tot mond-op-mondreclame.

5. Hype / rage

Hype: een plotselinge overdreven aandacht voor een nieuwsfeit. Rage: een plotseling populaire bezigheid. Het woord hype heeft betrekking op de media. Daarom is het woord 'mediahype' een pleonasme.

6. Niet het minst / niet in het minst

Niet in het minst = vooral niet. Niet het minst = vooral

Fout is dus: 'De sterk verbeterde werksfeer op het ministerie is niet in het minst te danken aan de minister zelf.' Er had hier dus moeten staan: niet het minst.

7. Moraal / moreel

Moraal: ideeën over goed of slecht, zedenleer, zedenles. Wat is de moraal van het sprookje van Roodkapje?

Moreel: geestelijke weerbaarheid. Ondanks de zware bestralingen is het moreel van de patiënt uitstekend.

Maar... Moraal kent ook een bijvoeglijk naamwoord: moreel (de moraal betreffende). Bijvoorbeeld: De morele verantwoordelijkheid. Dit moreel mag niet verward worden met een ander bijvoeglijk naamwoord: moralistisch, 'een overdreven en belerende aandacht voor wat goed of fout is'.

8. Zich ergeren/ irriteren

Fout: Ik irriteer me aan een collega. Goed: Die collega irriteert mij. Of: Ik erger me aan een collega.

Irriteren is, in tegenstelling tot ergeren, geen wederkerend werkwoord. Je irriteert je dus niet, maar je ergert je wel.

9. Heel/hele

'Dat is een hele mooie taart' betekent: Dat is een hele taart, die mooi is.

'Dat is een heel mooie taart´ betekent: Dat is een taart die heel mooi is.

Met andere woorden: kijk altijd goed of heel slaat op het andere bijvoeglijk naamwoord, of niet. Indien ja: altijd heel gebruiken, dus niet hele.

Tot zover je dagelijkse cursus taal (en met dank aan RTL).